Thuis pagina

contact met Salon Zonneveld

ARIE ZONNEVELD 1905 - 1941

Arie vermeldingen

Catalogus

Van Het Westelijk Front Geen Nieuws

Annie Simonis 1907

Piet Zonneveld 1908

Kees Zonneveld 1912

informatie bronnen :Ontstaan Copyright

Nieuwe pagina

the value of a Arie Zonneveld woodcut HISTOTY

-

Salon Zonneveld seizoen 8

-

-

-

-

Salon Zonneveld gaat verhuizen

 
Uit N.R.C. Handelsblad 11 december 1992
 
Door Janneke Wesseling
 
Kunstcriticus
&
kunsthistoricus
 
Willem van deb Berg
De poon
 
K.P.C. de Bazel
1896
 
Max Bucherer
De Luitzanger
(1912)
 
Arie Zonneveld
Rode cactus
HS 013

Door Janneke Wesseling
Een zingende luitspeler staat scherp afgetekend tegen het venster.
Hij draagt een zwarte Spaanse hoed en een zwarte cape met brede kraag.
Zijn glimmend gepoetste schoenen weerkaatsen lichtvlekjes.
Drie heren, van de voorgrond gescheiden door de zwart - witte strepen van een crapaud, luisteren toe.
Van rechts nadert op de zwart - witte betegelde vloer een serveerster, gekleed in een zwarte jurk met wit schort.
Figuren en voorwerpen bestaan hier uitsluitend in de tegenstelling licht donker.
Uiterst consequentie is betracht, arceringen en grijze tussentonen zijn verdwenen.
Een lambrizering vangt het licht als een witte streep op een diep - zwart vlak, en de geopende mond van de zanger is een zwart rechthoekje in het witte gezicht.
De Luitzanger (1912) van Max Bucherer is een van de hoogtepunten op de tentoonstelling’ de bakermat van de moderne houtsneden het Van Reekum Museum in Apeldoorn.
De expositie bevat meer dan 400 houtsnede van in totaal 180 houtsnijders uit de periode 1890 - 1920.
Ze zijn afkomstig ui de verzameling van Hans van der Grinten, tot voor kort directeur van het Nijmeegs Museum Commanderie van Sint Jan, Tegenwoordig directeur van Museum Schoss Moyland, bij Kleef, net aan de andere kant van de grens.
Van der Grinten liet in 1989 zijn collectie houtsneden uit het Duits Expressionisme in het van Reenkum zien. De bladen op de huidige expositie gaan er chronologisch aan vooraf, en zijn voor een belangrijk deel onder te brengen bij de Jugendstil en Art Nouveau.
De houtsnijkunst beleefde een opleving omstreeks de eeuwwisseling.
Ook de expressionisten gebruikten deze techniek.
Vaak, al werd de houtsnede toen al weer illustratiever.
Daarna is de techniek min of meer uit het beeld verdwenen.
Dit moet wel te maken hebben met het fijt dat  het modernisme groot belang hechte aan originaliteit en authenticiteit; de oorspronkelijkheid van de ‘schriftuur van de kunstenaar stond haaks op het idee van reproduceerbare ‘signatuur’ (nog zo’n typische naoorlogse kunstterm) was nauw verbonden met het moment van inspiratie dat de aanzet is tot het kunstwerk.
 
OUBOLLIG
De houtsnede heeft, met haar ambachtelijk karakter, in onze ogen iets oubolligs.
Ze wekt associaties met bezigheidstherapieën en antroposofische kerstkaarten.
Zoals bekent gaan in de 20e eeuw kunst en vakmanschap niet noodzakelijkerwijs samen.
Het omgekeerde lijkt eerder het geval: ambachtelijkheid staat inspiratie in de weg (Een opvatting waar sinds kort een kentering in is te bespeuren.)
 

op de tentoonstelling blijkt dat de houtsnijkunst een bredere waardering verdient.
Het bijzonder van de hier geëxposeerde bladen is dat ze verslag doen van een periode van experiment, van overgang van de 19e eeuws naar de moderne kunst.
Ze laten zien hoe de beeldende kunst zich losmaakte uit de traditie van de illusuonistische weergave van de zichtbare werkelijkheid.
Dit betekent dat de collectie, die in de loop van 40 jaar door Hans van der Grinten en zijn broer Frans Joseph is bijeen gebacht, in stilistisch opzicht grote variatie vertoont.
De houtsnijtechniek bleek geschikt te zijn voor de vernieuwingen die schilders in de laatste decennia van de 19e eeuw nastreefden.
De houtsnede is een vorm van hoogdruk, wat wil zeggen dat de delen die wit moeten blijven worden weggesneden, zo dat de inkt tijdens het drukken, anders dan bij een ets, hoog ligt.
Kleur kan worden verkregen door meer gangen verschillende blokken van precies dezelde afmetingen over elkaar heen te drukken; voor iedere kleur moet een nieuw blok gesneden worden.
Natuurlijk kon kleur ook naderhand met de hand worden aangebracht.
De houtsnijkunst, die in Europa omstreeks 1400 tot ontwikkeling kwam, beleefde in de 16e eeuw en bloeiperiode met kunstenaars als Albrecht Dürer en Hendrick Goltszius.
Maar vanaf de 17e eeuw stond het houtsneden hoofdzakelijk in dienst van het kopiëren van schilderijen.
Het vervaardigen van houtsnede werd overgelaten aan vaklieden, die dus niet hun eigen ontwerpen uitvoeren. Het vakmanschap werd gaandeweg wel zeer verfijnd - wat onder andere blijkt uit een vloeiende belijning, grote detailering en modelé - maar de houtsnede als zelfstandige kunstvorm was in de 19e eeuw vrijwel geheel verdwenen.
De tegenwoordigers van jugendstil en Art Nouveau voerden, in navolging van william Morris en diens Arts & Crafts beweging het ideaal van eenheid van kunst en ambacht hoog in het vaandel.
Zij namen zelf het houtblok weer ter hand.
Het met de guts bewerken van het weerbarstige hout resulteerde in een vereenvoudigde sobere figuratie die hen zeer aan stond.
Tegen de eeuwwisseling was er zo een hele groep houtsnijders / kunstenaars die grote bekendheid genoot.
Félix Valotton, Aubrey Beardsley, Peter Behrens, Emil Orlik, Otto Eckmann, Anottn Derkinderen, R.N. Roland Holst en Willem van der Berg zijn er enkele van.
Zij wilden aan de ‘stemmingskunst’ van het impressionisme voorbij en zochten naar een nieuwe geesteshouding, die gericht was op verdieping in het wezen en niet op de toevallige verschijningsvorm der dingen’, aldus Wiebke Loos in het boek DE TIJD WISSELT VAN SPOOR, Nederland rond 1900 (1981.)
Het afwijzen van de perspectivische illusie was

de belangrijkste manier om tot een nieuw soort figuratie te komen.
Vlakheid van het beeld was het uitgangspunt
De vormen staan gelijkwaardig naast elkaar;  wanneer de voorwerpen achter elkaar moeten staan werden ze ‘naar achteren verkleind en middels er tussen geplaatste motiefjes als rasters of parallelle lijnen (precies zoals in De luitzanger van Bucherer) van elkaar gescheiden.
Modelé wordt vermeden.
Ook decoratieve arabesken en krullen (vooral bij de Jugendstil) en een niet logische begrenzing van het beeld  (BV bomen waarvan alleen de kale stammen, niet de kruinen, zijn te zien) zijn manieren om de vlakheid te benadrukken.
De Japanse kleurhoutsnede was op dit alles van grote invloed, zoals in Apeldoorn ook duidelijk is te zien.
 
KIPPESTAART
Een bezoek aan de expositie is en waar avontuur.
De verscheidenheid van de bladen en het door elkaar hangen van beroemde en mijalthans) geheel onbekende namen maakt een zeldzaam onbevangen kijk mogelijk.
Zonder uitzondering vind ik de houtsnede het mooist waar de techniek op de meest geéigende manier is toe gepast.
Prachtig is de zwart - witte kip van Jan Mankes.
Let op het puntje van een kippestaart onder in het beeld: hier nadert nog een kip.
Dezelfde soberheid van lijn en rake typering is te vinden bij de diermotieven van Willen van den Berg, zoals zijn Poon.
De meer atmosferische houtsneden zijn minder geslaagd.
Vaak is hier in verscheidene kleuren over elkaar gedrukt, wat ten koste gaat van de helderheid van het beeld (BV bij de kalkoenen van Emil Pottner en de boerin in het veld van Elisabeth Andrae).
Ook de anekdotische London Types en andere bladen van William Nicholson kunnen mij, hoezeer Nicholson ook een voortrekkersrol heeft gespeeld, minder bekoren werklijk adembenemend zij de rood bloeiende cactussen van Arie Zonneveld  en het piepkleine zwarte takje met oranje bessen van Jaap van der Hoogeband (weliswaar een linosnede, maar toch).
Zwarte en stekeliger kan een takje niet zijn, en transparanter bessen heb ik nooit gezien, aparte vermelding verdient de fraaie catalogus.
Het is een bestandscatalogus van dit deel van de collectie van van Grinten met veel afbeeldingen in kleur en zwart - wit.

Janneke Wesseling is kunstcriticus, bekend van haar wekelijkse stukken in NRC Handelsblad.
Sinds november 2002 is Wesseling voorzitter van de Nederlandse afdeling van de AICA, Association Internationale des Critiques d'Art.
Op 28 maart 2003 ontving ze de Jan Bart Klasterprijs voor de kunstkritiek, de prestigieuze tweejaarlijkse prijs ter bevordering van de Nederlandstalige kunstkritiek

 


 

 

 

[Thuis pagina]