Thuis pagina

contact met Salon Zonneveld

ARIE ZONNEVELD 1905 - 1941

Arie vermeldingen

Catalogus

Van Het Westelijk Front Geen Nieuws

Annie Simonis 1907

Piet Zonneveld 1908

Kees Zonneveld 1912

informatie bronnen :Ontstaan Copyright

the value of a Arie Zonneveld woodcut HISTOTY

-

Salon Zonneveld seizoen 8

-

de Joekels

-

-

-

1939 april
ONS KORT VERHAAL
 
Diefstal in den nacht
 
 

Ik heb een misdaad op mijn geweten.
 
Het is een nare zaak en ik schaam mij er vreselijk voor.
Maar het is nu eenmaal gebeurd en ik zal het niet gemakkelijk ongedaan kunnen maken.
Tenzij mijn slachtoffer dit epistel misschien eens lees, Want ik deed het heusch niet met opzet
Kijk, het gebeurde zo.
Ik reed heel laat op en avond met mijn oude, trouwe Fordje over een van Holland's stille, onverlichte en verlaten buitenwegen en spoedde mij huiswaarts.
Dat is allemaal nog niets misdadigs, want dat het zoo laat geworden was, daarvoor bestond een geldige reden en dat ik mij huiswaarts spoedde was im-mers juist prijzenswaardig.
Maar plotseling zie ik in den lichtbundel, die mijn koplampen in het duister boren een man staan, die met beide armen zwaaiend mij beduidt ,te stoppen.
U weet.- ik :kom niet graag in conflict  met de wet en trap dus op m 'n rempedaal terwijl ik vast naar mijn papieren tast.
Toen ik goed en wel stil stond bemerkte ik pas, dat het geen politie- of belasting-ambtenaar was, maar een automobilist, die hier ergens gestrand was.
Te laat!
Ik vind het griezelig om midden in den nacht op een donkere weg door een onbekend individu aangehouden te worden.
Er is al genoeg narigheid in de wereld.
Bovendien, deze man stelde zich voor als automobilist, maar zijn auto was in geen velden of wegen te zien.
Die had hij al een paar kilometer terug met een lekken band laten staan, vertelde hij, omdat hij geen reserveband bij zich had en het ding in het donker niet kon plakken.
Of hij nu mocht meerijden tot het eerstvolgende dorp!
Enfin, ik zat erin.
Ik kan nu eenmaal geen verzoek weigeren en met angst en beven in mijn hart opende ik het portier en verzocht den vreemdeling maar plaats te nemen.
Onder het verder rijden voelde ik mij niets op mijn gemak.
Elk ogenblik verwachtte ik een klap op mijn hoofd of een revolver in mijn nek te voelen.
Gelukkig maar, .dat mijn bibberen niet merkbaar was door het schudden en rammelen van alle beweegbare delen van mijn wagentje.
Mijn gast was niet vriendelijk.
Toen ik mij beleefd verontschuldigde over de ouderdomsgebreken van mijn vehikel, mompelde hij half binnensmonds: "Beter wat dan niks".
Verder zei hij helemaal niet veel en tuurde maar in den donkeren nacht, blijkbaar op zoek naar een groot bosch of een flinke sloot, waarin hij mijn lijk zou kunnen laten verdwijnen.
Onderwijl scheen de weg onder de opgelapte banden van mijn automobiel door te kruipen.
Het schoot maar niet op.
Ik wilde eens op mijn horloge zien, om uit te rekenen hoe lang deze kwelling nog wel zou moeten duren.
Maar, o schrik, daar had je het al.
Mijn horloge was weg.
Ik durfde den man die naast mij zat haast niet aan te zien, maar ik voelde, dat hij mij in de gaten hield.
Je horloge verlies je zoo maar niet, nietwaar?
Het moest ergens zijn, dat kon niet anders; en terwijl ik stuurde en mijn oude vertrouwde kuchend en puffend over den hobbelige en donkeren weg leidde, waren mijn zakken immers overgeleverd aan de genade van den ongenode gast naast mij.
Daar zat hij nu, onschuldig in het donken te staren met mijn kostbare horloge in zijn zak.
Kon ik het hem zoo maar terug vragen?
Het was een sterke knaap en als het op vechten moest uitlopen, dan wist ik wel wie het onderspit zou delven.
Mij niet gezien.
Maar wie niet sterk is, moet slim zijn.
Ik besefte ten volle de hachelijkheid van de situatie maar mijn woede over de laffe list van den dief gaf mij een ingeving, waarbij ik weliswaar de --voorzichtigheid uit het oog verloor, maar die toch een grote kans van slagen bood.
Ongemerkt wist ik mijn pijp uit mijn zak te halen en terwijl ik mijn voet van het gaspedaal nam, stootte ik mijn medereiziger het mondstuk van den pijp tusschen de ribben, mijn hand om den kop houdende alsof het een revolver was.
Hij vloog erin, dat zag ik aan de grote angstogen, waarmee hij mij aanzag.
Geef hier dat horloge," siste ik hem toe.
Daar kwam hij, de lafaard, en haalde weifelend het kostbare kleinood uit zijn zak waar hij het al veilig in zijn bezit had beschouwd.
 
 
Stop in mijn zak", zei ik kort, want ik moest natuurlijk met een hand sturen en met de andere het bedreigende wapen op den man gericht houden.
Hij voldeed aan mijn gebod.
Toen stond het Fordje inmiddels stil en ik liet niet veel tijd verloren gaan, opende het portier en wees eenvoudig naar buiten; in den donkeren nacht.
De bedreiging met de vermeende revolver had blijkbaar voldoende indruk op hem gemaakt, want hij stapte zonder meer uit.
Alleen meende ik nog een stil verwijt in zijn blik te zien toen ik snel gas gaf en zoo vlug mogelijk wegreed.
Toen ik goed en wel weer thuis was, moest ik nog eens hartelijk lachen bij de gedachte hoe goed die list met de pijp geweest was.
Maar opeens zag ik iets, waardoor het verwijt in den blik, waarmee mijn belager afscheid van mij nam, mij duidelijk werd.
Want op den schoorsteen lag nog mijn eigen horloge. dat ik blijkbaar dien morgen vergeten had.
CEZET.

 

[Thuis pagina]